Bloedspiegel veranderde hoe auteur Ibe Rossel naar mannelijk geweld kijkt: 'Ben ik een slechte feminist?'
In dit artikel:
Ibe Rossel (27), Vlaamse schrijfster en recent auteur van Bloedspiegel, vertelt in Cosmo’s Bookshelf over haar leesachtergrond, de ontstaansgeschiedenis van haar boek en hoe het schrijven haar kijk op mannen en geweld heeft veranderd. Cosmo plaatst deze rubriek tweewekelijks; dit interview bevat een triggerwaarschuwing voor (seksueel) geweld en verwijst naar Centrum Seksueel Geweld voor wie daarover wil praten.
Rossel groeide op in een boekminnend gezin en raakte al vroeg gefascineerd door lezen; een blijvende jeugdherinnering is Kinderen van Bolderburen van Astrid Lindgren. Ze heeft een speciale interesse in vergeten vrouwelijke auteurs uit de late twintigste eeuw en raadt naast hedendaagse ontdekkingen ook klassiekers aan: George Eliots Middelmarch en Patricia de Martelaeres Een verlangen naar ontroostbaarheid zijn volgens haar boeken die zowel plezier als diepe gedachtevoedsel bieden.
De directe aanleiding voor Bloedspiegel ligt in Rossels fascinatie voor broederlijke conflicten. Een vroeg voorbeeld dat haar bijbleef was het verhaal van de gebroeders Dassler, die in 1924 samen een schoenfabriek begonnen en later uit elkaar gingen, waarna Puma en adidas ontstonden. Die geschiedenis en andere verhalen over broederlijk geweld werden voor haar een kapstok om thema’s als macht, geweld, gender en verlangen te onderzoeken.
Persoonlijker wordt het wanneer Rossel praat over haar eigen traumatische ervaring met mannelijk geweld. Dat trauma leidde aanvankelijk tot een diepe angst en het ontmenselijken van mannen als overlevingsmechanisme. Tijdens het schrijven ontdekte ze dat ze daarmee precies hetzelfde deed als waartegen ze zich verzet: mensen reduceren tot één attribuut. Het proces om die ervaring literair te verwerken was moeilijk en langdurig; hoewel veel lezers zeggen dat het boek vlot leest, ontstond het niet vanzelfsprekend.
Een belangrijke omslag voor haar tijdens het schrijfproces was het besef dat mannen zelf ook lijden onder het patriarchaat en dat zij eveneens slachtoffer kunnen zijn van normen rond mannelijkheid. Dat inzicht bracht Rossel ertoe haar eigen feministische opvattingen te nuanceren: ze blijft feminist, maar vindt dat de volgende feministische golf ook het onderwerp mannelijkheid moet adresseren. Ze benadrukt dat veranderende opvattingen over mannelijkheid geen taak zijn die op vrouwen moet rusten, maar dat bewustzijn en gesprek wél nodig zijn.
Rossel hoopt dat lezers na Bloedspiegel scherper gaan kijken naar wat we tegenwoordig normaliseren: in het interview verwijst ze naar een moment onder een museumfresco—de Sabijnse maagdenroof—waar ze zich realiseerde hoe vaak verhalen van geweld en verkrachting als esthetische of narratieve feiten worden geaccepteerd. Ze wil dat mensen twee keer nadenken voordat ze zulke beelden of scènes als vanzelfsprekend bestempelen.
Tenslotte vertelt ze dat ze haar angst geleidelijk heeft afgebakend en dat de woede over wat haar is overkomen omgezet is in iets productiefs: het boek zelf. Voor lezers en geïnteresseerden biedt het interview zowel inzicht in Rossels persoonlijke verwerkingsproces als een uitnodiging om thema’s als broederschap, macht en de constructies van mannelijkheid en vrouwelijkheid opnieuw te bekijken.