Anatomie van de Sloveense neergang: Wanneer een natie van dienaren kaartjes koopt voor de Titanic
In dit artikel:
De auteur schildert Slovenië als een land dat vastzit in een economische illusie: mensen investeren hun beperkte middelen in zichtbare statussymbolen — dure auto’s, aanbouwtjes aan kleine huizen, fraaie gevels en straatstenen — terwijl de wereldwijzigingen op technologiegebied aan hen voorbijgaan. Waar wereldwijd kapitaal naar software, biotechnologie en duurzame energie stroomt, zetten Sloveniërs hun geld vaak in tastbare, maar waardeverminderende bezittingen uit jaloezie voor de buurman en het comfort van direct zichtbaar bezit.
Centraal staat de kritiek op een fundamenteel gebrek aan begrip van kapitaal en investering. De schrijver illustreert dit met het voorbeeld van wie jaarlijks een nieuw telefoonmodel koopt: de cumulatieve uitgaven aan iPhones over vijftien jaar kunnen volgens de aangehaalde berekening tienduizenden euro’s bedragen, terwijl hetzelfde geld in aandelen van het betreffende technologiebedrijf veel hogere opbrengsten had kunnen opleveren — een verschil dat financiële onafhankelijkheid had kunnen betekenen. Dit contrast dient als symbool voor het onderscheid tussen consumptie (melkkoe zijn) en kapitaalbezit (eigenaar zijn).
Tegelijkertijd waarschuwt de tekst voor de opkomst van “digitaal feodalisme”: grote platformbedrijven (zoals Google, Amazon, Meta, Microsoft) treden op als moderne leenheren die data, aandacht en inkomen van gebruikers incasseren, terwijl de gebruikers zelf als lijfeigenen functioneren. De auteur vindt dat Slovenen doorgaans consumenten blijven en nauwelijks deelnemen aan het eigenaarschap of de ontwikkeling van die technologische machtsbases.
Een tweede grote zorg is de dreiging van artificiële intelligentie. AI zal routinematige administratieve en bureaucratische taken overnemen — werk waar velen nu op teren — en zal gemiddeld veel productiever zijn dan menselijke arbeid. De voorspelling is niet louter technisch, maar sociaal-economisch: wie geen betaalbare waarde kan leveren in een AI-gedomineerde markt, loopt het risico economisch irrelevant te worden. De reactie van de overheid dreigt oppervlakkig en inadequaat te zijn: bureaucratische commissies en vraagstukken over bijdragen van AI-diensten aan sociale zekerheden in plaats van echte investeringen in toekomstbestendige vaardigheden en structuren.
De verzorgingsstaat wordt in de tekst niet verloochend, maar als verlammerend beschreven: het stelt burgers gerust met aanspraken en rechten, maar duldt geen vanzelfsprekendheid ten aanzien van marktwaarde en adaptatievermogen. Zonder eigen kapitaal, zonder investeringen in kennis en zonder ondernemerschap zullen noch linkse noch rechtse politieke oplossingen voldoende zijn wanneer economische tegenwind — de “echte winter” — zich aandient.
De oproep aan het einde is duidelijk: Slovenië moet evolueren van een natie van ‘dienaren’ en consumenten naar een natie van eigenaren. Praktische adviezen impliceren het omdenken van consumptiegerichte naar kapitaalinvesteringen (meer investeren in vaardigheden, kennis en aandelen in plaats van in plaatmetaal en stenen), en het herstel van overlevingsvaardigheden en ondernemingszin. Alleen zelf initiatief en bezit kunnen volgens de auteur individuen en de natie warm houden als de grote technologische en economische verschuivingen hun tol gaan eisen.